Initiatiefnemers Jan van Beuningen (coördinerend jurist bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken) en Jeroen van Bergenhenegouwen (coördinerend beleidsmedewerker bij de Directie Energiemarkt) vertellen op het ministerie over het project en hun rol daarin. ‘Je rol als ambtenaar is anders dan in een normaal wetgevingstraject,’ zegt Van Beuningen. ‘Je moet ineens de openbaarheid opzoeken als een discussieleider. Hoe fanatieker je zelf bezig bent met samenvatten, terugspelen en nieuwe vragen aan de orde stellen, hoe meer respons je krijgt, is onze ervaring.’

Hoe vernieuwend is discussiëren op LinkedIn eigenlijk? De overheid raadpleegt wel vaker belanghebbenden in een wetgevingstraject, bijvoorbeeld via internetconsultatie. ‘Er zijn zeker meer initiatieven die lijken op wat wij doen. Ik zie bijvoorbeeld een parallel met het topsectorenbeleid. Maar deze aanpak op het gebied van wetgeving is echt nieuw,’ onderstreept Van Bergenhenegouwen. Zijn collega vult aan: ‘Het gaat veel verder dan alleen het verzamelen van meningen over een uitgewerkt voorstel, zoals bij internetconsultatie.’

STROOM draait hoofdzakelijk om de herziening en samenvoeging van de bestaande Elektriciteitswet en Gaswet. ‘We hebben van tevoren alleen de randvoorwaarden aangegeven: de wetgeving moet worden gestroomlijnd met onder meer de Europese regelgeving, de uitvoerings- en toezichtlasten moeten omlaag, en de wet moet de transitie naar duurzame energie ondersteunen. In interactie met de deelnemers bepalen we vervolgens hoe dit zich vertaalt.’ 

Gepassioneerd

Van Bergenhenegouwen legt uit dat het digitale platform in alle openheid opereert. ‘Je moet je wel aanmelden, maar we laten iedereen toe. We hebben dan ook deelnemers van diverse achtergronden. Alle sectoren zijn vertegenwoordigd – de industrie, de milieubeweging, lokale overheden, consumenten en particulieren. We hebben een gedragsregel: fatsoenlijk met elkaar omgaan. Sommige deelnemers willen zich nog wel eens gepassioneerd uitdrukken, maar dat is ook goed, het lokt weer reacties uit.’

Het idee voor de nieuwe aanpak komt níet uit de koker van een communicatieadviseur die vond dat het ministerie ‘iets’ met sociale media moest doen. ‘Er zit niet altijd een verhaal onder zulke initiatieven, hier is dat wel zo,’ zegt de beleidsadviseur. Samen met Van Beuningen publiceerde hij die visie in een preadvies voor de Jonge Vereniging voor Bestuursrecht VAR. Hierin beschrijven ze de ‘negatieve spiraal’ waarin overheid en sector elkaar gevangen houden sinds de liberalisering van de energiemarkt. ’Om de liberalisering te realiseren was een sturende overheid noodzakelijk, maar mede daardoor is een relatiepatroon tussen overheid en sector gevestigd dat gebaseerd was op wantrouwen. EZ positioneerde zich daarin als hoeder van het publieke belang en als spiegelbeeld legitimeerde het daarmee de sector om alleen zijn eigen deelbelangen na te jagen, wat weer nieuwe regels uitlokte, enzovoort. Zo zijn we sinds 1998 dertig wetswijzigingen en 45 regelingen verder.’

Daarbij kwamen – volgens de gangbare werkwijze – allerlei belangengroepen hun zaak verdedigen in gesprekken op het departement. ‘De rol van het ministerie hierin kun je nog het best vergelijken met die van een boksbal,’ zegt Van Beuningen. ‘Van A, B en C brouwden wij D. Daar kwam het parlement nog overheen met amendementen en ten slotte was E het eindproduct, waar niemand op zat te wachten, gechargeerd gesproken.’

Van Beuningen vervolgt: ‘Verder werd het ook steeds duidelijker dat dit relatiepatroon en die verdediging van deelbelangen in de weg staan van noodzakelijke ontwikkelingen richting toekomst. Om de negatieve spiraal te doorbreken moeten we anders organiseren. Dat vereist een omslag in het denken over beleid en wetgeving in de relatie tussen overheid en samenleving. Het mooie is dat nu iedereen kan zien hoe een bepaalde belangenafweging tot stand komt en dat partijen daar samen verantwoordelijkheid voor dragen en er elkaar op kunnen aanspreken. De overheid is niet langer probleemeigenaar. Uiteindelijk moet deze aanpak ook leiden tot minder gedetailleerde regels. Iedereen die meedoet is enthousiast.’ 

Dat neemt niet weg dat het voor veel gevestigde belangenbehartigers even wennen is. Het ene moment schakel je nog direct met de ambtenaren op het ministerie, en zo moet je met gepassioneerde opponenten in debat op internet. Van Bergenhenegouwen: ‘Dat vereist inderdaad een omschakeling. Een brancheorganisatie met bijvoorbeeld veertig leden verhoudt zich ook wat lastiger tot de dynamiek die hier ontstaat. Normaal stemden ze altijd zaken af met leden. Dat werkt goed als je daarna een een-op-een gesprek met het ministerie voert, maar in een publieke discussie wordt dat lastiger.’

Uitruil 

Wat de aanpak mede tot een succes maakt, denken de initiatiefnemers, is dat deelnemers kunnen schaken op meer borden tegelijk. De ambtenaren spreken van een multi-issue game. ‘Op veel onderwerpen – denk aan tarieven, consumentenbescherming, verduurzaming – kunnen nu in onderlinge samenhang beleidskeuzen worden gemaakt. Zo bevorder je een effectieve uitruil van belangen, waar alle deelnemers achter kunnen staan,’ zegt Van Bergenhenegouwen. Dit moet leiden tot een ‘fair deal’, vanuit het idee dat de overheid niet vanaf de tekentafel de optimale uitkomsten kan bedenken. 

Dat klinkt natuurlijk mooi allemaal, maar er is ook nog een parlement om rekening mee te houden. Leuk dat de belanghebbenden druk hebben uitgeruild om tot een totaalpakket te komen, maar wie garandeert dat de Tweede Kamer dit niet doorkruist met een rits amendementen? ‘Natuurlijk heeft het parlement het laatste woord,’ geeft Van Beuningen toe. ‘Misschien worden er wel minder amendementen ingediend dan je normaal zou verwachten, doordat er minder reden is om te lobbyen en omdat er simpelweg een goed voorstel ligt. Anderzijds hebben de bureaus hier in Den Haag ons al laten weten dat ze gewoon doorgaan met lobbyen. Dat hoort natuurlijk ook bij de democratie.’

Was het evenwel niet handiger geweest om Kamerleden te betrekken bij de discussies op LinkedIn en hen deel van het proces te maken? De Tweede Kamer staat erom bekend dat ze niet graag met voldongen feiten wordt geconfronteerd. ‘Hen erbij betrekken is ingewikkeld omdat je Kamerleden daarmee uit hun formele positie als mede-wetgever zou halen,’ zegt Van Beuningen. Zijn collega vult aan: ‘We hebben ze niet actief benaderd, maar we zeggen ook geen “nee” als ze zich zouden aanmelden. Bovendien houden we de Tweede Kamer via brieven op de hoogte van de voortgang.’ 

Overal toepasbaar

De EZ-ambtenaren denken dat hun aanpak in principe voor alle wetgevingstrajecten bruikbaar is. ‘Volgens mij is het overal toepasbaar. Als we echt naar een kleinere en slagvaardige overheid willen, moeten we ook wel fundamenteel anders gaan organiseren. We willen minder regels en sterke, vitale sectoren, maar intussen beperken we alle mogelijke risico’s met meer regels en halen zo de kracht uit de samenleving,’ zegt Van Beuningen. Ziet hij ook meer voorbeelden waar overheid en belanghebbenden gevangen zitten in de negatieve spiraal van de energiemarkt? ‘O, zeker. In het onderwijs bijvoorbeeld. Is er een incident bij Hogeschool Inholland, wil iedereen meteen het toezicht versterken. De overheid maakt zichzelf steeds weer tot probleemeigenaar. Hetzelfde zie je gebeuren in de jeugdzorg.’

Wat houdt de nieuwe aanpak eigenlijk in qua werklast? Niet onbelangrijk om te weten in tijden van bezuinigingen. Het lijkt nogal een klus: discussies tussen honderden deelnemers opzetten, aanzwengelen en samenvatten; en daar dan een wetsvoorstel op baseren dat recht doet aan de uitkomst. ‘Wij zeggen hier steeds dat het niet leidt tot extra werk,’ zegt Van Bergenhenegouwen met een knipoog. ‘In dit voortraject gaat natuurlijk wel veel energie zitten, dat is gewoon zo. We denken anderzijds ook weer winst te kunnen behalen. Zo besparen we de tijd van veel bilaterale gesprekken. En vooral doordat er straks een solide voorstel ligt waarvoor brede steun bestaat in een sector, waarin men elkaar weer beter weet te vinden en die mede-verantwoordelijkheid draagt.’ 

 

Interview: Rianne Waterval